Toen ik in 2010 in De Tuinwijk kwam wonen, werd mij verteld dat er in dit wooncomplex tijdens de oorlog Joodse families woonden, dat er verzetsstrijders onder de bewoners waren en dat er onderduikers hadden gezeten. Ik wilde graag hun namen en verhalen opsporen. Het verhaal van Greetje is één van deze verhalen. Een verhaal dat laat zien hoe tastbaar deze geschiedenis nog steeds is en hoe dichtbij deze heeft plaatsgevonden.
De Joodse Greetje zat als peuter tijdens de oorlog ondergedoken in de Melis Stokestraat. Zo overleefde zij de oorlog. Omdat haar ouders de oorlog niet overleefden bleef zij bij haar pleeggezin en groeide na de oorlog op in wooncomplex De Tuinwijk. Hier het verhaal van Greetje, van haar familie en dat van haar pleeggezin.

Amsterdam 1938
Dit verhaal begint in Amsterdam rond 1938. De ouders van Greetje zijn Elkan Roe (geb.: 22-01-1911 te Amsterdam) en Sara Blok (geb.: 25-12-1904 te Amsterdam). Sara werkte in de slagerij van haar ouders. Sara was een zelfstandige vrouw en niet van plan om te trouwen. Dit veranderde toen ze Elkan Roe ontmoette, een man die zes jaar jonger was dan zij en op een kantoor werkte. Op 2 juni 1938 traden de zevenentwintig jarige Elkan en de drieëndertig jarige Sara in het huwelijk.


Stadsarchief Amsterdam, Atelier J. Merkelbach: 010164026819, Elkan Roe en Sara Roe-Blok
De dag na hun trouwen betrokken Elkan en Sara hun woning in de Pretoriusstraat 37 huis, in de Transvaalbuurt in Amsterdam. De verhuurder, de familie Schrijver-van Huijstee, had dit woonhuis laten ombouwen tot winkelpand met daarachter de woning. Op de gevel werd een zachtgeel tegelveld aangebracht. Hier openden Elkan en Sara een comestibleswinkel.

Google Streetview: Gevel van Pretoriusstraat 37, juni 2017
Deze winkel voor delicatessen en fijne eetwaren kreeg de naam ‘Del Rio’. In de winkel verkochten ze heerlijke amandelkoekjes en moccaboontjes, 11 cent per ons, tot vreugde van de Henrich-zusjes die tegenover de winkel woonden. Wilhelmina (Willy) Henrich herinnerde zich de heerlijke koekjes die zij op zondagochtend van haar moeder kreeg.
Naast de winkel, op nummer 39, zat de slagerij van Maurits en Dina Schornesheim. Hun dochter Sophia Schornesheim werkte mee in de slagerij.

08-08-1938, Het Volk (eerste advertentie)
Sara was een echte zakenvrouw en de drijvende kracht achter de winkel. Elkan werd omschreven als een bescheiden en zorgzame man. In de buurt stond hij bekend als de winkelier van de zaak ‘Del Rio’. De zaak liep goed en vooral hun koekjes en mokkaboontjes hadden een zekere faam.

Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Het slecht bewapende Nederlandse leger werd snel onder de voet gelopen. Op 14 mei bombardeerden de Duitsers Rotterdam. Nadat er gedreigd werd ook Utrecht te bombarderen capituleerde Nederland op 15 mei. Toen de Nederlandse militairen zich terugtrokken deelde Elkan Roe amandelkoekjes uit aan de militairen die door de Transvaalbuurt trokken.
Op dat moment was Sara hoogzwanger van hun eerste kind. Op 18 juni 1940 beviel zij van hun dochter Greetje Amalia. Ze werd vernoemd naar haar twee grootmoeders: Grietje Manus Blok-de Wolff en Amalia Roe-Polak.
Tijdens de oorlog werden steeds meer voedingsmiddelen en goederen gedistribueerd via bonnen om te zorgen voor eerlijke verdeling van goederen over de bevolking. Deze bonnen waren belangrijk en daar diende je zorgvuldig mee om te gaan.
Op zaterdag 30 november 1940, om vijf minuten over één ‘s middags, deed Elkan Roe op wijkbureau Linnaeusstraat aangifte van de vermissing van distributie toewijzingsbonnen voor thee en koffie. Zijn bediende J. Willemsen had de bonnen verloren.

Stadsarchief Amsterdam, Politierapporten ’40-’45. Archiefnummer 5225, inventarisnummer 6275.
In de eerste weken van de bezetting lieten de nazi’s de Joden met rust, maar gaandeweg werden de zij in Nederland steeds meer als groep van de overige bevolking gescheiden. Er werd een hele reeks voorschriften opgesteld: de anti-Joodse maatregelen. Zo werden Joden uit het culturele leven verwijderd, werden Joodse zaken speciaal geregistreerd en werd nauwkeurig omschreven wie als Jood beschouwd werd.

15-02-1941, De courant Het nieuws van den dag

20-06-1941, De courant Het nieuws van den dag (laatste advertentie)
In 1941 verschenen de laatste advertenties waarin Elkan opzoek was naar personeel voor de winkel. Hieruit kunnen we afleiden dat Sara en Elkan op dat moment nog geld beschikbaar hadden voor het plaatsen van een advertentie en voor personeel.

16 maart 1941. Vlnr.: Elkan, Greetje en Sara. Privéarchief Greet Roe.
In 1941 werd de scheiding tussen Joden en niet-Joden steeds rigoureuzer doorgevoerd. Bij cafés, zwembaden, sportvelden, musea, dierentuinen, bibliotheken, schouwburgen, markten en tal van andere openbare gelegenheden kwam het bord ‘Voor Joden verboden’. Joden moesten hun geld inleveren en hun bedrijven werden in beslag genomen. Op 22 en 23 februari vond de eerste razzia plaats in Amsterdam. Vanaf november 1941 mochten Joden niet meer zonder toestemming reizen of verhuizen en in 1942 werd dit omgezet naar een volledige verboden.
Op 2 mei 1942 werd het dragen van de Jodenster verplicht voor alle Joden ouder dan zes jaar en niet lang daarna werd begonnen met het deporteren van de Joden in Nederland.
Vanaf 5 juli 1942 vielen de eerste misleidende oproepen van de Joodse Raad in de bus voor de ‘werkverruiming in het Oosten’. Wat hen daar precies te wachten stond was niet bekend.
De oorlog en de maatregelen hadden grote impact op het leven van het jonge Joodse gezin Roe. Vanaf juli 1942 moesten Joden hun fietsen en andere voertuigen inleveren en werd fietsen voor hen verboden. Del Rio zal vanaf dat moment geen fietsjongen meer in dienst kunnen hebben. Vanaf 6 juli mochten Joden alleen tussen 15:00 en 17:00 uur in Joodse winkels inkopen doen. In niet-Joodse winkels mochten ze sinds juni 1942 al niet meer komen. Hierdoor wordt het voor Elkan en Sara vrijwel onmogelijk om het hoofd financieel boven water te houden, de winkel was meer dicht dan open.
De bezetter bracht, in samenwerking met Nederlandse ambtenaren, nauwgezet in kaart waar Joden woonden. Dit droeg ertoe bij dat Joden gemakkelijk te vinden waren. Hierdoor waren ze gemakkelijk te vinden.
Kaart op schaal 1:1.000, omgeving Krugerstraat en Pretoriusstraat, waarop aantallen Joodse bewoners (licht geel) afgezet worden tegen niet-Joodse bewoners (zwart): waarbij 1 cm lengte van de opgeplakte stroken staat voor 50 personen. De kaart (945 x 1135 mm.) is genummerd: III en werd vervaardigd door ambtenaren van Publieke Werken. Datering: 1942.
Op deze kaart zien we Pretoriusstraat 37, de woning en winkelpand van de familie Roe.

Stadsarchief Amsterdam, fragment van kaart: Joden – Niet Joden, III: B00000028933

Greetje in de box. Privéarchief Greet Roe.
Op maandag 12 oktober 1942, om twintig minuten over vijf ’s middags, deed Elkan Roe aangifte van diefstal van distributietoewijzingen van koffiesurrogaat, gebak en jam. In de aangifte uit 1940 ging het nog om echte koffie, maar in deze aangifte ging het om koffiesurrogaat. Ook was er een gouden ringetje gestolen. Op het politiebureau Linnaeusstraat vertelde Elkan wat hem twee dagen daarvoor, op zaterdag 10 oktober tijdens de sjabbat, was overkomen. Hij kreeg om 8:45 uur bezoek van drie personen die zich voordeden als leden van de Sicherheitspolizei. Zij kwamen een huiszoeking doen naar verboden lectuur en doorzochten de winkel en de woning van de familie Roe. Het is onduidelijk of deze drie mannen verantwoordelijk waren voor de diefstal van de distributietoewijzingen en het ringetje. Ook is onduidelijk of deze drie mannen werkelijk leden van de Sicherheitspolizei waren. Het zoeken naar verboden lectuur lijkt een smoes om binnen te dringen. Het laat wel zien dat de sfeer behoorlijk grimmig was geworden. Elkan had klaarblijkelijk nog wel vertrouwen in de Nederlandse politie, waardoor hij aangifte deed van de gestolen spullen en een signalement doorgaf van de drie mannen.

Stadsarchief Amsterdam, Politierapporten ’40-’45. Archiefnummer 5225, inventarisnummer 6279.
We kunnen niet precies achterhalen wat er is gebeurd, maar op 14 november 1942 kwam Elkan aan in Westerbork. Het is niet bekend of hij zich gemeld had na een oproep, of dat hij opgepakt was. Hij liet zijn hoogzwangere vrouw met tweejarige Greetje achter. Nu droeg Sara alleen de verantwoordelijkheid voor de winkel en hun kind. Elkan heeft vanuit Westerbork geprobeerd om verlof te krijgen, zodat hij zijn vrouw kon bijstaan, maar kreeg hiervoor geen toestemming. Op 9 januari 1943 werd op zijn Joodse Raadkaart de aantekening geschreven: “aangevoerde argumenten worden niet geaccepteerd”.

Arolsen Archives, DocID: 130362931, fragment van Joodse Raadkaart van Elkan Roe.
Op 11 januari 1943 beviel Sara, zonder de aanwezigheid van haar man van hun tweede kind; een meisje. Ze noemde haar Amalia Evaline Roe. Wederom heeft Elkan geprobeerd om verlof te krijgen en zijn gezin te bezoeken, maar kreeg ook dit keer geen toestemming. Op 18 januari 1943 staat de aantekening op zijn Joodse Raadkaart “voor 1 februari niet mogelijk verlof te vragen”. Elkan heeft zijn jongste dochter nooit ontmoet.

Arolsen Archives, DocID: 130362931, fragment van Joodse Raadkaart van Elkan Roe.

Vlnr.: Sara, Amalia Evaline en Greetje. Privéarchief Greet Roe.
Op bovenstaande foto zien we moeder Sara met haar twee dochtertjes. Haar zorgen zullen enorm geweest zijn. De omstandigheden maakten het steeds moeilijker om de winkel draaiende te houden. In Amsterdam waren er met regelmaat razzia’s. Joden werden gedeporteerd naar het buitenland. Haar stiefmoeder was al weggevoerd, haar man zat gevangen in Westerbork en zijn ouders, broer en zus waren ook al weggevoerd. Sara was gesperrt, wat betekende dat ze vrijgesteld was voor de werkverruiming in het buitenland. Maar deze vrijstelling zal in de loop van 1943 komen te vervallen.
Op één van de Joodse Raadkaarten van Elkan Roe staat te lezen dat mevr. S. Roe vanaf 5 februari 1943 verbleef in de Transvaalstraat 30 II in Amsterdam. Dit was het huisadres van de broer van Elkan.

Arolsen Archives, DocID: 130362931, fragment van Joodse Raadkaart van Elkan Roe.
Deze Salomon (Sal) Roe was getrouwd met de niet-Joodse Roelfiena Roe-van Wijk. Joden die getrouwd waren met niet-Joden en een kind hadden, werden voorlopig niet op trasport gesteld. Zijn vrouw Roelfiena had contact met het Utrechts kindercomité. Het Utrechts Kindercomité was een verzetsgroep, opgericht in 1942 door Jan Meulenbelt en Rut Matthijsen, en bestond vooral uit Utrechtse studenten. De organisatie had tot doel Joodse kinderen een veilig onderduikadres te verschaffen en hen te voorzien van kleding, bonkaarten en – zo nodig – kostgeld. De kinderen werden ondergebracht bij pleeggezinnen, maar als dat niet lukte ook tijdelijk in de crèche ‘Kindjeshaven’ van Trui van Lier, in Utrecht
In juni 1943 besloot Sara dat er niets anders opzat dan haar dochters mee te geven aan het Kindercomité. Greetje was toen 3 jaar en haar jongste bijna een half jaar oud.
Waarom dook Sara zelf niet onder? Deze vraag besprak ik met haar oudste dochter Greet. Niet iedereen kon een geschikte onderduikplek vinden. Met het onderduiken kon je anderen in gevaar brengen. Als ze ontdekt werd, dan zou dit ook consequenties voor de helpers hebben gehad. Greet
had ooit gehoord dat haar moeder schulden had. Dit is zeer waarschijnlijk. De winkel mocht nog maar beperkt open zijn, terwijl de huur en de kosten voor onderhoud gewoon doorgingen. Daardoor kon ze niet betalen voor een eventuele onderduik en zou ze tot last zijn van anderen. Onderduikers hadden immers geen recht op bonnen voor eten. Misschien wilde ze naar haar man, die al maanden in Westerbork zat. Het blijft gissen naar de werkelijke beweegredenen van Sara. Dat ze in staat is geweest om haar kinderen over te dragen aan vreemden laat zien hoe groot haar moederhart was en dat zij de belangen van haar kinderen boven die van haar zelf kon stellen. Dat doet mij denken aan een uitspraak van een andere oorlogswees die ooit zei: “Mijn moeder heeft mij twee keer het leven geschonken. De eerste keer toen zij mij baarde en de tweede keer toen zij mij weggaf voordat ze gedeporteerd werd.”
Op zondag 20 juni 1943 hield de Duitse bezetter een grote razzia in Amsterdam. Deze razzia was door de nazi’s in het geheim voorbereid. Duitse en Nederlandse politieagenten sloten de wijken af in Amsterdam-Oost en -Zuid. Vanaf half 4 in de vroege ochtend reden luidsprekerwagens rond die de Joden bevalen zich te melden op verzamelplaatsen. Wie niet vrijwillig kwam zou met geweld uit huis gehaald worden. De speciaal uit Kamp Westerbork overgekomen administratie verwerkte de persoonsgegevens. Met trams werden ze vervolgens naar treinstation Muiderpoort gebracht. Er werden in totaal 5.542 Joden opgepakt die met een lange passagierstrein naar Kamp Westerbork werden getransporteerd. In deze trein zat ook Sara, die tijdens deze razzia was opgepakt. In de avond van 20 juni 1943 kwam ze aan in Westerbork.
Ver na de oorlog schreef overbuurmeisje Willy Henrich het gedicht: Klaaglied Pretoriusstraat 37 en 39. De razzia van 20 juni 1943 had diepe indruk op haar gemaakt. Willy dacht dat Elkan Roe ‘meneer Del Rio’ heette.


Sara verbleef drieëntwintig dagen in Westerbork. Elkan zat er acht maanden. Op 13 juli 1943 werden Sara en Elkan samen gedeporteerd naar Sobibor. Deze reis duurde meestal drie dagen. Op dit transport zaten 2.209 personen van wie niemand de oorlog heeft overleefd. Elkan en Sara werden direct na aankomst, op 16 juli 1943 vermoord.
Buurman en slager Maurits Schornesheim, van Pretoriusstraat 39, was al voor deze razzia gearresteerd omdat hij een snijmachine van de slagerij en zijn motorfiets in bewaring had gegeven bij een kennis. Hij verbleef in Kamp Amersfoort, Kamp Vught, Kamp Westerbork en werd op 23 april 1943 vermoord in Sobibor. Zijn vrouw Dina Schornesheim-Nias, die (zoals in het gedicht hierboven geschreven staat) door de te zware rugzak achterover viel in het portiek, werd op 2 juli 1943 vermoord in Sobibor. Hun dochter Sophia overleefde de oorlog in de onderduik.
Een jong meisje had gedurende enige maanden haar schuilplaats onder de lage etalagevloer van de Pretoriusstraat 37. Haar identiteit is nooit achterhaald.
UTRECHT
De familie Pels
Coenraad Jan Pels (geb.: 01-03-1887 te Utrecht) begon zijn carrière als huisknecht. Vanaf 2 juni 1913 werkte hij bij de spoorwegen. Eerst bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, kortweg Staatspoorwegen (SS) als schrijver. Op 8 januari 1914 trouwde hij met Maria van den Brink (geb.: 30-09-1885 te Boxtel). Maria was pianolerares. Ze woonden in de Valkstraat. Hier kregen ze drie kinderen: Corrie (24-09-1914), Ria (29-05-1916) en Coen (15-04-1920).


HUA: Het adresboek der stad Utrecht, 1913-1914
In 1917 ging de Staatsspoorwegen samen met de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij en werd de belangenmaatschap Nederlandse Spoorwegen (NS) opgericht. Vanaf 1920 werden beide bedrijven in elkaar geschoven. Vanaf 1 juli 1920 kreeg Coenraad de functie van bureel ambtenaar bij de NS. In 1921 werd de bouw van het Hoofdadministratiegebouw III, bekend als De Inktpot, afgerond en werd gestart met de bouw van wooncomplex De Tuinwijk voor de ambtenaren van de NS.
De familie Pels werd één van de eerste bewoners van dit wooncomplex. De woningen werden in 1922 opgeleverd. Op 11 mei van dat jaar betrok de familie de benedenwoning in de Bucheliusstraat 2. Deze hoekwoning grenst aan de Melis Stokestraat. Maria was toen hoogzwanger van hun vierde kind. Op 10 juni 1922 werd hun dochter Joop geboren.
De familie Pels was een Gereformeerd gezin. Dit blijkt ook uit de advertentie die in oktober 1922 verscheen in de krant, waarin ze opzoek waren naar een dienstbode of hulp in de huishouding.

18-10-1922, De Standaard
Op 11 april 1925 werd het vijfde en jongste kind geboren, zoon Hans. Er volgde nog één zwangerschap. Op 29 augustus 1926 kwam het zesde kind levenloos ter wereld. Het was een meisje die Annie genoemd zou worden.
Alle vijf kinderen gingen naar de Gereformeerde Mr. A.J. van Beeck Calkoenschool in de Havikstraat 45 in de aangrenzende Vogelenbuurt. De school lag op 7 minuten loopafstand van het huis.

Op 5 december 1935 verhuisde het gezin naar de Melis Stokestraat 16. Deze woning ligt een steenworp van de benedenwoning in de Bucheliusstraat. In die tijd was het nog gebruikelijk dat de woningen met nieuw behang opgeleverd werden. Het is een grotere woning vergeleken met de benedenwoning die ze hadden en op de Melis Stokestraat zullen ze geen bovenburen hebben. De verhuizing kon geregeld worden via timmerman Willem Johannes Cusée, de klusjesman van de wijk. Sinds 12 november 1926 woonde hij om de hoek, op de Van der Mondestraat 45, met zijn werkplaats achterin de tuin.

HUA, Fotodienst GAU, uitsnede van Catalogusnummer: 71074
Op de foto de Melis Stokestraat, met rechtsvoor nummer 16, de nieuwe woning van de familie Pels. Linksvoor in de foto is het muurtje te zien van de tuin van Bucheliusstraat 2 en daarachter de oude benedenwoning van de familie. Om te kunnen verhuizen hoefden ze slechts de straat over te steken.
In de oude woning van de familie Pels ging de familie Weldam wonen. Zij verhuisden met vijf kinderen van de grotere bovenwoning Bucheliusstraat 2 bis, naar de kleinere en in de huur goedkopere nummer 2. Het gebeurde regelmatig dat de huurders binnen het complex doorschoven. In deze benedenwoning werd hun jongste en zesde kind geboren.
Ook na de geboorte van de kinderen zette Maria Pels-v.d. Brink haar werkzaamheden voort als organist en pianolerares, zoals ook blijkt uit de advertentie hieronder. Ze was de eerste vrouwelijke organist die te beluisteren was op de radio. In het verzuilde Nederland paste haar geloofsovertuiging het beste bij de NCRV (Nederlandse Christelijke Radio Vereniging) die in 1924 was opgericht.

De oudste dochter Corrie trad in de voetsporen van haar moeder en werd ook pianolerares. Zij slaagde op 15 juli 1942 voor haar staatsexamen.

16-07-1942, Utrechtsche Courant
Uit het register van personeelsleden van de Nederlandse Spoorwegen uit ca. 1942 zien we dat vader Coenraad en jongste zoon Hans tijdens de oorlog werkzaam waren bij de NS. Dochter Joop werkte als secretaresse bij de NS. Het was dus echt een spoorgezin.
![]() | ![]() |
NL-UtHUA_958_621-a_001183 | NL-UtHUA_958_621-a_000889 |
GREETJE
Dochter Ria, die onderwijzeres was, trouwde op 25 februari 1943 met Arnoldus de Lange en ging het huis uit. Oudste zoon Coen was ook al het huis uit. Hij had contact met het Kindercomité. Leden van het Kindercomité vroegen in juni 1943 aan Coen of zijn familie een Joods meisje wilde opvangen.
Hij vroeg het aan zijn ouders, maar die zagen het niet zitten. Het was te gevaarlijk om onderdak te bieden aan een Joods onderduikertje.

Maar het kindercomité gaf niet op. Zij gaven Coen een foto van Greetje mee. Na het zien van deze foto stemde de familie Pels in. Zij zouden Greetje opvangen tijdens de oorlog. Oudste dochter Corrie, die toen 28 jaar oud was en nog bij haar ouders woonde, werd haar pleegmoeder.
Zo belande de driejarige Greetje vanuit haar vertrouwde Amsterdam in Utrecht bij mensen die zij totaal niet kende. Haar zusje belandde in een ander pleeggezin in Utrecht en de rest van de oorlog hadden zij geen contact. De schok zal enorm geweest zijn.
Vanwege het gevaar verbleef Greetje de laatste twee oorlogsjaren binnenshuis. Later is haar verteld dat ze soms mee naar buiten werd genomen in een wagentje. Als gevraagd werd wie dat kindje was, dan vertelden de familie Pels dat Greetje een logeetjes was uit Limburg. Ze hadden Limburg gekozen vanwege de zwarte haren van Greetje, in de hoop dat men niet zou vermoeden dat ze een Joods meisje was.
Eén van de eerste herinneringen die Greetje heeft is van het uitdelen van het Zweeds wittebrood. Greetje stond in de gang in de deuropening. Haar pleegmoeder Corrie stond op straat en riep haar naar buiten en zei: “Nu mag het wel!”. Nederland was bevrijd en Greetje mocht voor het eerst openlijk in Utrecht de straat op.
In alle Utrechtse wijken kwamen er bevrijdingsfeesten. Ook in Tuinwijk. Op de foto hieronder zien we Greetje met haar pleegmoeder Corrie tijdens een optocht door de wijk. Greetje herinnert zich dat ze moeite had om in een rechte lijn te lopen achter haar kinderwagentje. Corrie moest regelmatig bijsturen. Greetje had vanwege haar langdurig verblijf binnenshuis nog niet geleerd om lange stukken achter haar wagentje te lopen.

Bevrijdingsoptocht Tuinwijk, ter hoogte van Antonius Matthaeuslaan 115. Privéarchief Greet Roe.
In heel Nederland heerste grote euforie vanwege de bevrijding. Maar met de beëindiging van de oorlog werd ook duidelijk wat er met de Joden was gebeurd.
Greetje overleefde de oorlog, net als haar zusje. Haar ouders waren naar Duitsland gestuurd voor de ‘werkverruiming’, maar dit bleek een leugen te zijn geweest. Het was de bedoeling dat Greetje en haar zusje herenigd zouden worden met hun ouders als zij na de bevrijding terug zouden komen in
Nederland, maar zij kwamen niet terug.
Kort na de bevrijding kwam oom Sal vanuit Amsterdam op bezoek bij Greetje. Greetje was toen 5 jaar oud. Oom Sal, de broer van de vader van Greetje, was behoed van deportatie omdat hij getrouwd was met een niet-Joodse vrouw én omdat zij samen kinderen hadden. Dankzij de contacten van zijn vrouw met het Kindercomité was Greetje in Utrecht beland. Oom Sal wist inmiddels dat de ouders van Greetje de oorlog niet hadden overleefd. En nog vele andere familieleden overleefden de oorlog niet. Omdat hij zelf al zes kinderen had kon hij de zorg voor zijn twee nichtjes niet op zich nemen. Daarom bleven de meisjes elk in hun eigen pleeggezin. Bij zijn bezoek aan Greetje had Oom Sal een fotoalbum meegenomen, ze kan zich dit herinneren als de dag van gisteren. Het was een ouderwets album en er waren foto’s waar haar ouders op stonden en ook zijzelf en haar zusje. Ze ziet het nog voor zich hoe hij foto’s uit dit album haalde en aan Greetje gaf. Oom Sal vond dat ze haar toebehoorden. Zo kreeg Greetje de gezichten van haar ouders weer te zien.
Ook de verliezen in de familie aan moederskant waren groot. Gelukkig overleefden tante Jopie, de zus van de moeder van Greetje, en haar man Auschwitz-Birkenau. Hun twee zonen overleefden de oorlog in de onderduik. Door wat tante Jopie had meegemaakt in de oorlog duurde het even voordat zij haar nichtje in Utrecht kwam opzoeken. Greet heeft warme herinneringen aan de bezoekjes van tante Jopie. Als Tante Jopie op bezoek was wilde ze het liefst helemaal in haar kruipen. Met deze tante had ze meteen een natuurlijke verbinding en in haar voelde ze een connectie met haar moeder.

Omdat haar ouders niet meer leefden en er dus geen ouderlijk gezag meer was kwam de voogdij van Greetje te liggen bij de OPK (de Commissie Oorlogspleegkinderen). Ongeveer 3500 Joodse kinderen waren tijdens de Tweede Wereldoorlog gescheiden van hun ouders en hadden bij niet-Joden ondergedoken gezeten. Van de helft van deze kinderen waren de ouders vermoord in de vernietigingskampen. De OPK moest beslissen of deze kinderen bij hun pleegouders bleven, of dat zij ondergebracht werden bij Joodse familieleden. Over veel kinderen werd jarenlang gestreden.
De familie Pels heeft ook geprocedeerd over de voogdij van Greetje. Het lukte hen de voogdij te krijgen, maar dit heeft slechts enkele maanden geduurd. De OPK ging in hoger beroep en won de strijd. Tante Jopie werd benoemd tot toeziend voogdes. De beslissing van de OPK, dat Greetje bij de familie Pels zou blijven, bleef ongewijzigd.
Als na de capitulatie van Japan in augustus 1945 Indonesië de onafhankelijkheid uitroept, vertrokken Nederlandse militairen naar Indonesië voor de politionele acties. De twee zonen van de familie Pels gingen ook. Zoon Coen moest verplicht en jongste zoon Hans ging vrijwillig.
Het echtpaar Coenraad en Maria Pels en hun twee dochters Corrie en Joop en pleegkind Greetje bleven achter op de Melis Stokestraat. Omdat de familie Pels het na de oorlog niet breed had kregen zij voor de zorg van Greetje financiële hulp vanuit de Stichting Nederlands Volksherstel. In 1945 en 1946 ontvingen zij een aantal bedragen.


Greetje ging na de zomervakantie van 1945 voor het eerst naar school. Ze ging naar dezelfde school waar de kinderen van de familie Pels naartoe gingen: de Gereformeerde Mr. A.J. van Beeck Calkoenschool in de Havikstraat. Omdat Greetje net vijf was geworden kon ze nog een jaar naar de kleuterschool. Daarna zes jaar lagere school en vervolgens de MULO. Allemaal op hetzelfde adres.

Overlijden
Op 10 december 1947 ging Coenraad Jan Pels vanwege invaliditeit op 60-jarige leeftijd met pensioen. Hij werd ‘eervol, niet oneervol’ ontslagen bij de NS.


HUA, Personeels- en pensioenregisters NS.
Fragmenten van: NL-UtHUA_920_301_000094.
Binnen een jaar kwam hij te overlijden. In de rouwadvertentie werd hij genoemd als echtgenoot, vader, grootvader, pleegvader, broer en zwager. Eigenlijk was hij meer de pleegopa, maar hiermee zien we hoe Greetje als pleegkind volledig opgenomen was in dit gezin.

28-10-1948, Trouw
Greetje noemde haar pleegmoeder Corrie ‘moeder’. Maar dit zei ze ook tegen haar pleegoma Maria. Dit gaf nogal eens verwarring als ze op school sprak over ‘haar moeder’. Want wie bedoelde ze dan?
Vanaf haar vijfde jaar speelde Greetje met Hermien (geb.: 14-11-1937) en Willy (geb.: 20-04-1939) van Veen. Willy en Hermien waren de dochters van Harm en Johanna van Veen, die twee huizen verderop woonden in de Melis Stokestraat nummer 12. Harm was buschauffeur.


HUA: Het adresboek der stad Utrecht 1940. Het kruisje voor nummer 10 staat voor bis (bovenwoning).


Achterkant Melis Stokestraat 16. Vlnr., achterste rij: Joop en Corrie Pels. Middelste rij: Hermien en Willie van Veen. Voorste rij: Maria Pels-van den Brink en Greetje Roe. Privéarchief Greet Roe.
Iedereen op deze foto kijkt naar Greetje. Haar pleegmoeder Corrie doet dit met een grote glimlach.
Naast Hermien en Willie was Greetje ook bevriend met Hansje Weldam (15-8-1940). Hansje woonde in de Bucheliusstraat 2, de woning waar de familie Pels voorheen had gewoond. Hij was twee maanden jonger dan Greetje. Er werd regelmatig buiten op straat gespeeld.
In de woningen van het wooncomplex waren nog geen badkamers. Greetje herinnert zich een grote wasbak op de overloop op de eerste etage. In één van de woningen vonden we nog een oude wasbak die te zien is op deze foto. De roodgekleurde ombouw zat er niet standaard omheen en zal door de oud bewoners eromheen getimmerd zijn. Bij de familie Pels ontbrak deze.
In de woningen van het wooncomplex waren nog geen badkamers. Greetje herinnert zich een grote wasbak op de overloop op de eerste etage. In één van de woningen vonden we nog een oude wasbak die te zien is op de foto hieronder. De roodgekleurde ombouw zat er niet standaard omheen en zal door de oud bewoners eromheen getimmerd zijn. Bij de familie Pels ontbrak deze.
Greet herinnert zich dat ze slechts een enkele keer naar het Badhuis aan het Willem van Noortplein 19 is geweest. Douchen was ze niet gewend.

HUA, Catalogusnummer: 42793. Het Volksbadhuis.

Evaline en Greetje. Privéarchief Greet Roe.
GREET GROEIT OP
Af en toe waren er uitstapjes met haar zusje en zo hebben ze elkaar leren kennen. Ze groeiden op in verschillende gezinnen en milieus. Het is hen niet gelukt om een zussenband op te bouwen.
Als kind had Greetje nooit een eigen slaapkamertje. Er stond voor haar ergens een bed.
Onderstaande foto is gemaakt door een straatfotograaf. De familie Pels had het financieel niet breed, maar de foto werd toch aangekocht. Op de foto is duidelijk het iconische tuinmuurtje in de Melis Stokestraat te herkennen.

Greetje in de Melis Stokestraat. Privéarchief Greet Roe.
Greet herinnert zicht de bezoekjes van de medewerkers van de OPK. Haar pleeggezin kreeg het advies om Greetje in contact te brengen met de Joodse gemeenschap en haar te leren over haar Joodse afkomst, maar zij konden hier geen vorm aan geven.
In die tijd was bekering van Joden een officiële missie van de Gereformeerde en Hervormde kerk. Greet vertelt dat zij het Joodse altijd diep van binnen heeft gevoeld en niets wilde weten van bekering tot de Gereformeerde kerk. De godsdienstlessen op school spraken haar niet aan. Vanuit het Christelijke perspectief behoorden de Joden tot het uitverkoren volk van God. Maar waarom waren haar ouders dan vermoord? Op deze vraag kreeg ze geen antwoord.
Ook herinnert ze zich de bezoekjes aan het Medisch Opvoedkundig Bureau (M.O.B.). Zij had de taak om de ontwikkeling van Greetje te monitoren. Bij het M.O.B. werd ze geobserveerd tijdens het spelen. Als ze daaraan terugdenkt krijgt ze er nog steeds de rillingen van, zo akelig vond ze het.
Pleegoom Coen trouwde nadat hij teruggekeerd was uit Indonesië. Hij emigreerde naar Canada. Pleegoom Hans verhuisde naar Zeeland. En pleegtante Joop trouwde met haar baas, weduwnaar Jan Albertus De Pree. De Pree was directeur Sociale Dienst bij de N.S.
In 1956 slaagde Greetje voor haar MULO-eindexamen. Op onderstaande foto zie je de examenklas MULO van de Beeck CalkoenSchool in 1956. Links vooraan staat Greetje.

bron: SchoolBANK
![]() | 26 mei 1956, Provinciale Zeeuwse Courant Kort na haar examen maakte ze een uitstapje naar Vlissingen. Dit zal vast een bezoek zijn geweest aan pleegoom Hans. Greet kan het zich niet meer herinneren. |
Na de MULO ging Greetje naar de Middelbare Handelsschool in de Palmstraat in Wittevrouwen. Omdat ze in het bezit was van haar Mulodiploma, kon zij in het derde jaar instromen. Het was niet haar persoonlijke keuze om naar deze school te gaan en het had niet haar volledige interesse. Greetje behaalde in het vierde jaar haar diploma. Ze zakte voor haar examen in het vijfde jaar.

Het poortje gaf toegang tot de Middelbare Handelsschool.
In 1958 verhuisde weduwe Pels met haar dochter Corrie en Greetje naar hun derde woning binnen wooncomplex De Tuinwijk. Ditmaal naar de benedenwoning van Burmanstraat 6, die een lagere huur had dan de woning op de Melis Stokestraat.
Tijdens de oorlog woonde op dit adres de Joodse familie Van Blijdestijn. Moeder Aaltje en dochter Leentje van Blijdestijn werden vermoord in Auschwitz. Haar zoon Mosis, die vlakbij in de Nieuwe Koekoekstraat woonde, werd vermoord in Sobibor. Twee dochters van Aaltje overleefden de oorlog. In 2023 werden voor Aaltje, voor haar dochter Leentje en zoon Mosis struikelstenen geplaatst. Greetje ontdekte dit onlangs in haar speurtocht op internet. Tijdens haar jeugd was er nooit gesproken over de Joodse bewoners in het wooncomplex.

Corrie Pels zette haar werkzaamheden als piano- en orgellerares voort in de Burmanstraat. Ook aan Greetje gaf ze les. Corrie bleef als oudste kind het langst thuis wonen bij haar moeder.
Hieronder een foto genomen in de huiskamer van de woning in de Burmanstraat. De inmiddels 44-jarige Corrie speelt op het orgel en Greetje staat op de foto achter haar. Ook zien we de moeder van Corrie staan in de achtergrond, met de witte haren. In 1958 was Maria Pels 73 jaar oud.


Op bovenstaande plattegrond is te zien hoe dichtbij elkaar de drie woningen liggen waar de familie Pels gewoond heeft in het wooncomplex De Tuinwijk.
Rood: Bucheliusstraat 2
Groen: Melis Stokestraat 16
Blauw: Burmanstraat 6

Helemaal links Maria Pels en Greetje Roe. Naast Greetje zit Corrie Pels. Privéarchief Greet Roe.
Ondertussen ontstond bij Greetje de wens om het huis te verlaten. Op haar negentiende kreeg ze toestemming van haar pleegmoeder en sloeg ze haar vleugels uit. In 1959 verhuisde ze naar Amsterdam en verbleef in een meisjestehuis.
Ze kreeg een kantoorbaan in de schoenenzaak van haar oom Han en tante Jopie. Dit waren de oom en tante die de kampen hadden overleefd. Tante Jopie was haar toeziend voogdes.
Voor de oorlog hadden zij een schoenenwinkel aan de Utrechtsestraat 127, maar waren dit pand kwijtgeraakt in de oorlog. Ze heropenen hun schoenenzaak in 1947 op het Koningsplein 7.
Hun zonen Aby en Jack, die 10 en 12 jaar ouder zijn dan Greetje, werkten ook in de schoenenzaak en namen het bedrijf uiteindelijk over. Ze openden na verloop van tijd zeven filialen.
![]() | ![]() |
21-03-1947, Nieuw Israëlitisch weekblad | 11-07-1947, Trouw |

Voor Greetje was het een uitdaging om op eigen benen te staan en haar leven vorm te geven. Terugkijkend op haar leven ziet Greet dat het ontwikkelen van een eigen identiteit door de moeilijke start ingewikkelder is geweest dan voor anderen. Ook de verantwoordelijkheden van haar baan vielen haar zwaar. Gelukkig had ze veel steun aan Anneke, de ex-vriendin van één van haar neven.
Greetje heeft anderhalf jaar gewerkt in de schoenenzaak van haar familie. Daarna werkte ze bij de Sociale Verzekeringsbank en bij de PTT in de Spuistraat. Bij de PTT had ze de verantwoordelijke taak om de nieuwe baas in te werken.
Ze bezocht nog met regelmaat de familie Pels in Utrecht. Haar pleegmoeder Corrie wist uiteindelijk een huwelijkspartner te vinden en verliet de Burmanstraat. Haar pleegoma overleed in 1964. Daarmee kwam er een einde aan haar verbinding met wooncomplex De Tuinwijk.
Na 4 jaar Amsterdam verliet Greetje de stad om te trouwen met haar eerste man. Ze had een druk en vol leven. Ze kreeg een dochter en twee zonen, maar haar huwelijk hield geen stand.
Na haar scheiding werkte Greet twee jaar als enquêtrice bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ze deed huisbezoeken en zo kwam ze bij veel mensen over de vloer.
Ze leerde haar tweede man Bart Kraan kennen tijdens een feestje van wederzijdse vrienden. Bart was geboren in Utrecht. Zijn vader was tijdens de hongerwinter in februari 1945 moedwillig doodgereden tijdens een hongertocht op zoek naar eten. Bart groeide op in een arm en hard milieu in de Markstraat in Abstede.

Greet vertelt dat zij dankzij de steun van Bart haar diploma voor doktersassistente behaalde op 52-jarige leeftijd. Ze slaagde met hoge cijfers, bijna cum laude. Ze werkte tot haar pensionering in het Ziekenhuis Oudenrijn. Daarnaast heeft Greet veel vrijwilligerswerk gedaan.
Op latere leeftijd begon de speurtocht van Greet naar het verleden van haar familie. In 2008 ontdekte zij de website van ‘Het Geheugen van Oost’ in Amsterdam en kreeg zij contact met de kinderen van de familie Sedée. Zij herinnerden zich hoe zij als 10- of 12-jarige kinderen een oogje op Greetje hielden toen zij als kleintje buiten in de kinderwagen lag.
Ook verdiepte zij zich in haar Joodse afkomst. In 2012 bracht Greet, samen met Bart, een bezoek aan Yad Vashem, wat veel indruk maakte.
Op zondag 2 april 2017 plaatste kunstenaar Gunter Demnig twee struikelstenen in de Pretoriusstraat voor haar ouders. Hiermee zijn de namen van Elkan Roe en Sara Roe-Blok terug in Amsterdam Oost. Bij deze plaatsing waren Greet en haar man Bart, maar ook haar nicht Channa Roe, dochter van oom Sal, aanwezig.

Bart en Greet woonden in Huis ter Heide, maar ze bleef verlangen maar Amsterdam. Sinds zes jaar wonen zij in Buitenveldert in een seniorenappartement. Hier zit een Joodse gemeenschap waar de niet-Joodse Bart van harte welkom is. Greet ervaart het leven in deze flat als in een Joodse bubbel. Ze heeft zich vaak een buitenbeentje gevoeld, maar hier woont ze met lotgenoten en voelt ze zich helemaal op haar plek.
In dit appartement heeft Greet voor het eerst van haar leven een eigen kamertje, helemaal voor zichzelf. Op verschillende plekken in het appartement is de foto uit 1941 van kleine Greetje, samen met haar ouders, terug te vinden. Inmiddels is haar dochter 60 en haar twee zonen 57 en 54 jaar oud en is ze de trotse oma van twee kleinkinderen.
Greet kan nu zien hoe zij het grootste gedeelte van haar leven in een overlevingsstand heef gestaan. Ze was druk met studie, werk en het gezin. Om te kunnen overleven had ze het verleden verdrongen. De breuk met haar ouders en zusje en de ontworteling uit haar eigen achtergrond was zo groot, dat ze dit moest verdringen om te kunnen overleven. Hierdoor wist ze niet goed hoe ze zichzelf kon zijn. Vroeger was ze verlegen. Als het leven iets te spannend werd dan begon ze een beetje te stotteren. Ze wist te weinig van haar achtergrond om te weten wat precies haar eigen identiteit was of wat een Joodse identiteit is of wat de identiteit van haar familie was. Ze neemt het zichzelf kwalijk dat ze de Joodse tradities niet door heeft gegeven aan haar kinderen, maar realiseert zich ook dat ze niet geleerd had wat ze door had kunnen geven.
Nog steeds heeft Greet een druk en vol bestaan. Nu als mantelzorger voor haar man en ook als vrijwilligster in de gemeenschap waarin ze woont in de rol van gastvrouw. Verder helpt ze graag mensen met vragen over computers en internet. Maar ze heeft niet meer het gevoel dat ze moet overleven. Ze leeft en dat straalt ze ook ten volle uit.
Tijdens mijn bezoek aan Greet en Bart kreeg ik het gevoel dat zij alle twee, na een lastige start te hebben gemaakt in het leven, helemaal thuis zijn gekomen bij elkaar. Inmiddels zijn ze veertig jaar getrouwd.
Met grote bewondering heb ik geluisterd naar het levensverhaal van Greet. Ze komt op mij over als een dappere vrouw die ondanks de schaduwen uit het verleden haar draai heeft gevonden in het leven. Dit heeft ze met ongelofelijk veel doorzettingsvermogen en veerkracht gedaan.
Zij heeft het overleefd, tegen de bedoeling van de bezetter in die niet wilde dat de Joden de oorlog zouden overleven. Greetje overleefde omdat haar moeder in staat was om haar weg te geven en dankzij de hulp van mensen die daardoor een groot risico liepen.

Met grote dank aan Greet, voor het vertellen van haar verhaal. Dank aan Bart voor de gastvrijheid.
En aan onderzoeker Jim Terlingen, die mij de naam van Greetje aandroeg.
Geschreven door Doete Regts
Utrecht, oktober 2024