Op kamers in Burmanstraat 1 bis

Ik kreeg een email van Johan Le Fèvre die in 1968 in Utrecht ging studeren en op zoek was naar een kamer. Dit is zijn verhaal.

“Toen ik in 1968 in Utrecht ging studeren, kende ik niemand in deze stad. Hoe kwam ik aan een kamer? Bij het station had je het Maatschappelijk Advies- en Inlichtingenbureau (MAI). Ik had gehoord dat je daar als student moest zijn voor het huren van een kamer. Helaas kon men mij bij dit bureau niet helpen: er waren op die dag geen vrijgekomen kamers. Wel kon ik mij tegen een gering bedrag inschrijven als kamerzoekende. Dat had ik er nog niet voor over.

Ik kreeg de tip om gewoon huis-aan-huis aan te bellen of men een kamer te verhuren had. Zo zou je vanzelf wel een kamer of een goede tip krijgen. Met dat doel voor ogen liep ik vanaf het station de wijk in, naar de Weerdsingel, een buurt met grote huizen, die mij voor mijn doel geschikt leek. Bij de Weerdsluis gekomen, begon ik het hopeloze van mijn aanbel-actie te voelen en ging ik in arren moede terug naar het MAI-bureau. Men had daar nog steeds niets.

Naar buiten gekomen, werd mij ‘psst, psst’ toegefluisterd. Een vrouw met een fiets aan de hand vroeg me of ik een kamer zocht en zo ja: zij kon mij wel helpen, zonder dat ik het MAI commissie hoefde te betalen. Het leek of zij daar op de loer lag. Ik liep met haar mee, de nu verdwenen Daalsestraat door, de Vogelenbuurt en Tuinwijk in.

Voor 95 gulden huurde ik een kamer bij weduwe mevrouw V. en haar kat op de Burmanstraat 1 bis. Ik bewoonde een grote zolderkamer aan de voorkant op de tweede verdieping, voorzien van oliekachel en meubilair. Er woonden nog enige andere studenten, met wie ik vrijwel geen contact had.

Al gauw bleek mevrouw V. een aantal gewoonten te hebben die typisch mogen heten voor een bepaald soort hospita. Zowel heren- als damesbezoek werd nauwlettend gemonitored, bij binnenkomst en bij weggaan. De deur op de eerste verdieping ging bij elk geluid op de trap steeds op een kier. Op de WC lagen verknipte kranten, blijkbaar bedoeld ter besparing van toiletpapier. Ik heb ze nooit gebruikt, nam een eigen rol mee.

Mevrouw V. was bijna altijd thuis. Zij sliep zelf op de vliering boven ons. Het huis stonk vreselijk naar de kattenbak. Af en toe werd de kat ook op de tweede verdieping gezocht en riep ze “Mieke, Mieke, Mieke,…”. Het leek er echter meer op dat deze zoekacties ter inspectie dienden naar wat haar huurders aan het doen waren.

Mevrouw V. vertelde dat zij weduwe was. Zij zei verpleegster te zijn. Dit beroep maakte het blijkbaar niet noodzakelijk dat zij veel van huis was; misschien in de ochtenden, maar ’s middags en ’s avonds was zij altijd thuis. Bezoek van kinderen of andere verwanten kwam er nooit. Heel zelden was er een andere dame die op visite langskwam.

Met een vriend van mij die een paar maanden later ook op Burmanstraat 1 bis kwam wonen, besprak ik de feitelijke toestand. Wat was er waar van haar verhaal? Werkte ze wel? Waarom kwamen er nooit mensen langs? Waarom bleven de meeste huurders maar zo kort? Op de studentenvereniging Veritas hoorden wij dat Burmanstraat 1 bis bij voormalige huurders bekend stond als notoir doorgangshuis, bij “dat gekke mens”.

In april vond ik een andere kamer, op het Sterrenbos. Dat maakte mij wat moediger de laatste weken in de Burmanstraat. Toen wij op een avond thuiskwamen en weer om de hoek gegluurd werd, riep mijn vriend dat zij met dat spioneren moest ophouden en ons de vrijheid moest laten. Dat laatste raakte een gevoelige snaar bij weduwe V.: “wisten wij wel dat haar man in de oorlog voor onze vrijheid gevochten had en daarbij was gesneuveld”, riep zij ons op snerpende toon van onderaf de trap toe, terwijl wij naar boven snelden. Wij moesten ons schamen zo misbruik te maken van die vrijheid!” Wij moesten om deze opmerkingen erg lachen, toen wij ons op onze kamers hadden teruggetrokken.

Jaren later zag ik deze vrouw nog regelmatig in de stad, meestal met haar fiets aan de hand. Ze werd ouder en ouder en zag er steeds meer verwaarloosd uit. Achteraf kreeg ik toch medelijden met haar: een eenzame vrouw, kamers verhurend om een vermoedelijk schamel pensioen aan te vullen, misschien inderdaad getraumatiseerd als oorlogsweduwe. Was ons gelach om dat verhaal misplaatst geweest?

Nu ik weer in Tuinwijk woon, kom ik zo nu en dan door de Burmanstraat en moet altijd even omhoog kijken. Er wonen andere mensen, de weduwe V. moet allang overleden zijn. De straat is in niets veranderd.

Ik ben Johan Le Fèvre, geboren in 1950, gids voor het Gilde Utrecht, langgeleden inwoner van de Burmanstraat. Ik kan voor groepen (minimaal 4 personen) wandelingen door de wijk regelen waarin het gaat over (voor)geschiedenis, sociale ontwikkeling, architectuur en bewoners. De kosten bedragen € 8,= p.p.
Geïnteresseerden kunnen contact opnemen via: johanlefevre@hotmail.com